Vermogensheffing in 2017 en 2018 onrechtmatig

Gepubliceerd op 06-01-2022

Een echtpaar had in 2017 en 2018 een vermogen in box 3 van meer dan € 750.000. Hierover werd in 2017 en in 2018 circa € 12.000 inkomstenbelasting geheven. Het werkelijk rendement was € 6.612 in 2017 en € 3.528 in 2018. Het echtpaar nam deel aan de massaal bezwaarprocedures over deze jaren. De hoogste rechter biedt rechtsherstel wegens onrechtmatigheid.

Rechtsvraag
De vraag is of het voor de jaren 2017 en 2018 geldende stelsel voor de bepaling van de heffingsgrondslag voor het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen (Box 3) zich verdraagt met het in internationale verdragen neergelegde recht op ongestoord genot van eigendom en het verbod op discriminatie. Is dat niet het geval, dan is de vraag of de belastingrechter rechtsherstel kan en moet bieden.

Oordeel
Voor het met ingang van 2017 geldende forfaitaire stelsel in Box 3 is geen toereikende rechtvaardiging aan te wijzen. Voor degene die door dit forfaitaire stelsel wordt geconfronteerd met een heffing naar een voordeel uit sparen en beleggen dat hoger is dan het werkelijk behaalde rendement leidt dit tot een schending van zijn door internationale verdragen gewaarborgde rechten.

Rechtsherstel: waarom nu wel?
Anders dan voorheen ziet de Hoge Raad zich nu genoodzaakt om de belastingplichtigen zelf adequate rechtsbescherming te bieden tegen de geconstateerde schending van zijn fundamentele rechten.

Niet langer kan namelijk worden volstaan met de constatering van de schending of een onderzoek naar een individuele buitensporige last. Daaraan staan in de weg dat het ontbreken van een ‘fair balance’ ook het hiervoor genoemde discriminerende karakter heeft, dat de nu geldende regeling nog steeds dezelfde tekortkomingen bevat als die voor de jaren 2017 en 2018, en dat de wetgever weliswaar sinds 2015 werkt aan spoedige invoering van een heffing op basis van werkelijke rendementen, maar die invoering gezien het coalitieakkoord niet vóór 2025 kan worden verwacht.

De omstandigheid dat deze zaak voortkomt uit een massaalbezwaarprocedure en de uitkomst daarvan van belang kan zijn voor de beslechting van een groot aantal andere geschillen met de daaraan verbonden uitvoeringsproblemen, kan geen reden zijn rechtsherstel voor deze belastingplichtige achterwege te laten.

Rechtsherstel: hoe?
Het echtpaar haalde in 2017 en 2018 uit hun bezittingen in Box 3 een rendement van respectievelijk € 6.612 en € 3.528. De Hoge Raad biedt rechtsherstel door alleen dit werkelijke rendement in de heffing te betrekken.

Let op: Deze uitspraak heeft verstrekkende gevolgen en kan een flink gat in de Rijksbegroting slaan. De overheid beraadt zich op de gevolgen van de uitspraak.

Vermogensheffing in 2017 en 2018 onrechtmatig

Gepubliceerd op 06-01-2022

Rechtsvraag
De vraag is of het voor de jaren 2017 en 2018 geldende stelsel voor de bepaling van de heffingsgrondslag voor het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen (Box 3) zich verdraagt met het in internationale verdragen neergelegde recht op ongestoord genot van eigendom en het verbod op discriminatie. Is dat niet het geval, dan is de vraag of de belastingrechter rechtsherstel kan en moet bieden.

Oordeel
Voor het met ingang van 2017 geldende forfaitaire stelsel in Box 3 is geen toereikende rechtvaardiging aan te wijzen. Voor degene die door dit forfaitaire stelsel wordt geconfronteerd met een heffing naar een voordeel uit sparen en beleggen dat hoger is dan het werkelijk behaalde rendement leidt dit tot een schending van zijn door internationale verdragen gewaarborgde rechten.

Rechtsherstel: waarom nu wel?
Anders dan voorheen ziet de Hoge Raad zich nu genoodzaakt om de belastingplichtigen zelf adequate rechtsbescherming te bieden tegen de geconstateerde schending van zijn fundamentele rechten.

Niet langer kan namelijk worden volstaan met de constatering van de schending of een onderzoek naar een individuele buitensporige last. Daaraan staan in de weg dat het ontbreken van een ‘fair balance’ ook het hiervoor genoemde discriminerende karakter heeft, dat de nu geldende regeling nog steeds dezelfde tekortkomingen bevat als die voor de jaren 2017 en 2018, en dat de wetgever weliswaar sinds 2015 werkt aan spoedige invoering van een heffing op basis van werkelijke rendementen, maar die invoering gezien het coalitieakkoord niet vóór 2025 kan worden verwacht.

De omstandigheid dat deze zaak voortkomt uit een massaalbezwaarprocedure en de uitkomst daarvan van belang kan zijn voor de beslechting van een groot aantal andere geschillen met de daaraan verbonden uitvoeringsproblemen, kan geen reden zijn rechtsherstel voor deze belastingplichtige achterwege te laten.

Rechtsherstel: hoe?
Het echtpaar haalde in 2017 en 2018 uit hun bezittingen in Box 3 een rendement van respectievelijk € 6.612 en € 3.528. De Hoge Raad biedt rechtsherstel door alleen dit werkelijke rendement in de heffing te betrekken.

Let op: Deze uitspraak heeft verstrekkende gevolgen en kan een flink gat in de Rijksbegroting slaan. De overheid beraadt zich op de gevolgen van de uitspraak.

© 2022 Aficom Administratie- en Belastingadviseurs | Website Junction | Sitemap | Algemene voorwaarden | Beperkte aansprakelijkheid | Auteursrechten | Disclaimer | Privacy verklaring | aficom.nl