Verjaring vordering op ex-echtgenoot

Gepubliceerd op 16-02-2023

Man en vrouw trouwen buiten gemeenschap van goederen. Iedere echtgenoot is verplicht aan de andere echtgenoot te vergoeden hetgeen ten bate van hem aan het vermogen van de andere echtgenoot is onttrokken, gewaardeerd naar de dag van de onttrekking tenzij dit tot onbillijkheid leidt. Na echtscheiding vordert de vrouw van de man ruim € 76.000 wegens haar investering in de verkochte gezamenlijke woning.  

Volgens de man stelt ze haar vordering te laat in, namelijk meer dan tien jaar na de vermogensverschuiving die tijdens het huwelijk heeft plaatsgevonden. De man stelt dat voor een vergoedingsrecht op basis van huwelijkse voorwaarden niet een verjaringstermijn van twintig jaar geldt, maar van vijf jaar. De zaak komt voor de hoogste rechter.

Overwegingen Hoge Raad
Vermogensverschuivingen tussen de ene echtgenoot en de andere echtgenoot, zoals in deze zaak, kunnen grond geven voor een vordering tot vergoeding. Voor de verjaring van dergelijke rechtsvorderingen bevat het Burgerlijk Wetboek geen regeling.

De aard van de huwelijksverhouding tussen de echtgenoten – die meebrengt dat van echtgenoten niet kan worden verwacht dat zij tijdens het huwelijk rechtsmaatregelen tegen elkaar treffen – verzet zich tegen toepassing van een verjaringstermijn van vijf jaar op de hiervoor bedoelde vergoedingsrechten. De man wordt in het ongelijk gesteld.

Los van deze zaak stelt de Hoge Raad de vraag aan de orde of wel een verjaringstermijn van 20 jaar zou moeten gelden. Als na beëindiging van het huwelijk nog voldoende gelegenheid bestaat om alsnog rechtsmaatregelen te treffen, is deze vraag niet van belang. De wet voorziet namelijk in een verlenging van de verjaringstermijn met zes maanden na einde van het huwelijk. Voor rechtsvorderingen uit periodieke verrekenbedingen heeft de wetgever deze termijn zelfs tot drie jaar verlengd, met als reden dat juist in de eerste periode na uiteengaan emoties de overhand hebben. De Hoge Raad vraagt zich af waarom de wetgever de termijn niet ook tot drie jaar heeft verlengd voor andere rechtsvorderingen tussen echtgenoten, zoals die uit vergoedingsrechten als in deze zaak.

Let op: Als tijdens het huwelijk een vermogensverschuiving heeft plaatsgevonden die op basis van de huwelijkse voorwaarden tot een vergoedingsrecht leidt, is het zaak – als de huwelijkse voorwaarden zelf geen andere regeling bevatten – bij beëindiging van het huwelijk uiterlijk binnen een half jaar een rechtsvordering in te stellen.

Verjaring vordering op ex-echtgenoot

Gepubliceerd op 16-02-2023

Volgens de man stelt ze haar vordering te laat in, namelijk meer dan tien jaar na de vermogensverschuiving die tijdens het huwelijk heeft plaatsgevonden. De man stelt dat voor een vergoedingsrecht op basis van huwelijkse voorwaarden niet een verjaringstermijn van twintig jaar geldt, maar van vijf jaar. De zaak komt voor de hoogste rechter.

Overwegingen Hoge Raad
Vermogensverschuivingen tussen de ene echtgenoot en de andere echtgenoot, zoals in deze zaak, kunnen grond geven voor een vordering tot vergoeding. Voor de verjaring van dergelijke rechtsvorderingen bevat het Burgerlijk Wetboek geen regeling.

De aard van de huwelijksverhouding tussen de echtgenoten – die meebrengt dat van echtgenoten niet kan worden verwacht dat zij tijdens het huwelijk rechtsmaatregelen tegen elkaar treffen – verzet zich tegen toepassing van een verjaringstermijn van vijf jaar op de hiervoor bedoelde vergoedingsrechten. De man wordt in het ongelijk gesteld.

Los van deze zaak stelt de Hoge Raad de vraag aan de orde of wel een verjaringstermijn van 20 jaar zou moeten gelden. Als na beëindiging van het huwelijk nog voldoende gelegenheid bestaat om alsnog rechtsmaatregelen te treffen, is deze vraag niet van belang. De wet voorziet namelijk in een verlenging van de verjaringstermijn met zes maanden na einde van het huwelijk. Voor rechtsvorderingen uit periodieke verrekenbedingen heeft de wetgever deze termijn zelfs tot drie jaar verlengd, met als reden dat juist in de eerste periode na uiteengaan emoties de overhand hebben. De Hoge Raad vraagt zich af waarom de wetgever de termijn niet ook tot drie jaar heeft verlengd voor andere rechtsvorderingen tussen echtgenoten, zoals die uit vergoedingsrechten als in deze zaak.

Let op: Als tijdens het huwelijk een vermogensverschuiving heeft plaatsgevonden die op basis van de huwelijkse voorwaarden tot een vergoedingsrecht leidt, is het zaak – als de huwelijkse voorwaarden zelf geen andere regeling bevatten – bij beëindiging van het huwelijk uiterlijk binnen een half jaar een rechtsvordering in te stellen.

© 2024 Aficom Administratie- en Belastingadviseurs | Website Junction | Sitemap | Algemene voorwaarden | Beperkte aansprakelijkheid | Auteursrechten | Disclaimer | Privacy verklaring | aficom.nl